Het is zondagmiddag en in New York wacht ik in terminal 8 op JFK op mijn vlucht naar Miami. Gisteren heb ik een lange wandeling gemaakt in Manhattan met onder andere het obligate bezoek aan de buurt rond Wall Street en, even verder, Ground Zero. Enorm veel politie want er was een betoging tegen het kapitalisme. “Glass-Steagall (een wet uit de jaren ’30 waarbij zakenbankieren werd gescheiden van commercieel bankieren en die in 1999 werd opgeheven) in, Obama out” scandeerde iemand. Het standbeeld van de “charging bull” was omgeven door nadarhekkens. Kan er een treffender illustratie zijn voor een aandelenmarkt die niet weet welke kant uit te gaan? Morgen neem ik in Miami deel aan een debat tijdens de IMN Foundations and Endowments Summit, zeg maar een bijeenkomst van institutionele beleggers, en nadien geef ik een uiteenzetting over internationale diversificatie, iets wat gezien hun nog altijd grote “home bias”, de aanwezige Amerikaanse beleggers hopelijk zal kunnen inspireren. Bij de moderator van het debat heb ik me vrijwilliger gemeld om te spreken over de crisis in de Eurozone. Ik verwacht me al aan de klassieke vragen met op nummer één deze naar wanneer een land de Eurozone verlaat. Ik zeg hierbij “klassiek” want blijkens een enquête van de Wall Street Journal onder economisten zou één deelnemer op twee van oordeel zijn dat binnen de twee jaar minstens één land de zone zal hebben verlaten. “Klassiek” ook op basis van de vragen die ik kreeg na mijn presentatie over “The debt of nations” op een congres van pensioenfondsen in Canada vorige donderdag: ook daar ziet men de Eurozone als zeer complex, dus te mijden. In vergaderingen met klanten en journalisten nadien in Toronto komt eveneens het beeld naar voor van “hoe hou je dit samen?” Wanneer je dan uitlegt dat de Eurozone de voorlopige kroon is op bijna zes decennia van Europese integratie, dat het politieke kapitaal dat erin geïnvesteerd is kolossaal is, dat de economische kosten bij het verlaten van de muntunie eveneens kolossaal zouden zijn, dat de ECB toch wel prachtig werk levert en intussen de politici de tijd geeft om vooruitgang te maken (ook al gaat dit tergend traag), dan krijg je steevast een antwoord in de zin van “ja, zo had ik het nog niet bekeken”. Misschien moeten we als Europeanen meer aan onze marketing werken.
Europa mag dan, in de ogen van veel Amerikanen ziek zijn, met de VS lijkt het niet veel beter gesteld. Een editoriaal van een krant heef het over “Sad Men”, alluderend op “Mad Men”, de successerie over het reclamemilieu in de jaren ’60, toen er nog een Amerikaanse droom bestond, terwijl nu, volgens de commentator, de droom in diggelen is gevallen. De kranten staan vol met artikels over het plan van Obama om in de komende tien jaar het begrotingstekort te beperken en daarbij een “Buffett-belasting” in te voeren, op aansporen van Warren Buffett die gesteld heeft dat de rijke Amerikanen wel tegen een stootje kunnen. Terzelfdertijd argumenteren politieke commentaren dat Obama toch wel echt de stok in het hoenderhok heeft gegooid, lees: hij stelt zich veel minder dan vroeger boven het politieke gewoel en heeft nu resoluut de kaart van het programma van de Democraten getrokken. Er zijn verkiezingen in aantocht… Dit belooft weinig goeds voor de onderhandelingen die tegen november tot een akkoord moeten leiden, zoniet worden automatisch bepaalde uitgavencategorieën aangepakt (dit als gevolg van het akkoord van deze zomer over de verhoging van het schuldplafond). Ander interessant punt: budgettaire specialisten in Washington DC hebben uitgerekend dat het Obama-plan toch wel elementen van creatieve boekhouding omvat…
De discussie over “meer belasting voor de rijken” sluit naadloos aan bij een ander thema: wanneer de economie niet meer groeit verschuift het debat naar de verdeling van de bestaande rijkdom. De vraag is niet meer “hoe sterk groeit de taart?” maar wel “hoe wordt de taart verdeeld?” Vorige week werden in dit verband toch wel hallucinante cijfers gepubliceerd. Iets meer dan 15% van de Amerikanen leeft in armoede (het hoogste cijfer sinds 1993); in 2009 was het reële (dus aangepast voor inflatie) mediaaninkomen van een Amerikaanse man hetzelfde als in … 1969. New York spant de kroon qua inkomensongelijkheid: de New York Times van zondag, een turf van zo’n 4 centimer dik (282 blz!) meldde, tussen de artikels over nieuwe restaurants in hippe buurten en een cultureel programma voor het najaar om U tegen te zeggen, dat het gemiddelde inkomen van de top vijf percent van de bevolking in Manhattan er liefst 81 maal hoger ligt dan het gemiddelde van de laagste 20% (USD 837.668 tegenover USD 10.328). De Wall Street Journal tenslotte publiceerde een hallucinante kaart van de VS met het aantal banen aan het officiële minimuumloon dat per gezin nodig is om een tweeslaapkamerhuis te huren wanneer die huur 30% mag uitmaken van het gezinsinkomen. Geen enkele staat zat onder de 1.5 en de duurste waren New York, New Jersey, Washington DC en Maryland (3.4 minimumloonverdieners). California haalde een score van 3.3. De jaren ’60 brachtten ons “California dreaming”. Nu is het eerder “California screaming”.
William De Vijlder
21 september 2011
Reacties