Vorige donderdag heb ik deelgenomen aan een diner voor een aantal institutionale beleggers georganiseerd door een grote, internationale zakenbank. Het werd een zeer interessante gedachtenwisseling over “de toestand van de wereldeconomie” en we spendeerden behoorlijk wat tijd aan het inflatiethema. Zoals ik enkele maanden geleden in deze blog heb geschetst kan het, ondanks de massale liquiditeiten die in de economie werden gepompt, behoorlijk lang duren voor dit tot een toename van de inflatie leidt. Monetaristen zijn van oordeel dat inflatie louter een monetair fenomeen is (een versnelling van de geldgroei leidt uiteindelijk tot meer inflatie) maar de kanalen waarlangs dit gebeurt zijn divers en kennen tal van bochten.
Klassiek maakt men een onderscheid tussen drie manifestaties van inflatie. De eerste is dat het extra geld de kredietvraag en de bestedingen stimuleert, respectievelijk via een lagere rente en via hogere activaprijzen die bij gezinnen tot vermogenseffecten leidt (verwacht duurdere kerstcadeaus dit jaar vergeleken met vorig jaar want de beurzen zijn flink gestegen). Bedrijven kunnen van hogere aandelenkoersen gebruik maken om bij kapitaalverhogingen meer geld op te halen door de hogere koers/winst-verhouding. Uiteindelijk leidt die vraagtoename tot het ontstaan van flessenhalzen in de productieketen en dus tot meer inflatie maar dit proces neemt heel wat tijd in beslag.
Een tweede manifestatie verloopt via de wisselkoers: een sterke stijging van de geldhoeveelheid in vergelijking met andere landen voedt de verwachting dat inflatie zal toenemen waardoor de munt zal in waarde dalen. Economen spreken van de koopkrachtpariteit van wisselkoersen: landen met snellere inflatie bekopen dit via een verzwakkende munt en die munt zorgt voor meer inflatie via duurdere invoer. Ook hier loopt het allemaal zo’n vaart niet, kijk maar naar het VK waar het pond sterling toch wel een behoorlijke klap heeft gekregen maar waar de inflatie laag blijft. Een derde manifestatie roept beelden op van Duitsland tijdens de Weimarrepubliek of nog van bepaalde Afrikaanse landen: hyperinflatie zorgt ervoor dat geldcreatie zich onmiddellijk in hogere prijzen vertaalt ook al bevindt de economie zich in de greep van enorme werkloosheid. Dit is, gelukkig maar, geen beschrijving van de actuele toestand in de wereld.
Blijft er een vierde manifestatie, aangereikt door de zakenbank vorige donderdag. Landen als China en Hong Kong hebben hun munt gekoppeld aan de Amerikaanse dollar en hebben dus een ondergewaardeerde munt, een zeer lage, “Amerikaanse” rente én een sterke, “Aziatische” groei. De drie elementen zijn niet compatibel en de sterke groei die eruit resulteert zal de grondstoffenprijzen onder opwaartse druk zetten, in Azië maar ook bij ons. Dit impliceert dat de Westerse wereld uiteindelijk een toename van de inflatie zal kennen, niet omwille van de lokale “druk op de ketel” maar door hogere prijzen van ingevoerde grondstoffen.
Dit scenario is helemaal niet onwaarschijnlijk. De geldhoeveelheid in China neemt snel toe, de industriële productie en kleinhandelsverkopen eveneens, dus we hebben echt een beeld van een sterk groei-elan, waaraan we nu kunnen toevoegen een versnelling van de inflatie: jaar op jaar daalden de prijzen nog 0,5% in oktober maar in november bedraagt de stijging al 0,6%. Een en ander zal bestreden worden door de Chinese munt te laten appreciëren wat goed is voor onze exporteurs (meer concurrentieel) en voor Chinese gezinnen (goedkopere invoer). Zo’n appreciatie zou ook een tragere groei van de internationale reserves betekenen en dus een tragere toename van de geldhoeveelheid. Ook dit zou goed nieuws zijn, ook al zouden de Aziatische financiële markten erdoor wat minder onder stoom komen te staan (ook dit is positief want het zeepbelrisico neemt erdoor af). De hamvraag is dan enkel of de Westerse wereld reeds voldoende momentum zal hebben om een monetaire beleidsverstrakking te kunnen incasseren als reactie op hogere grondstoffenprijzen.
Reacties