(Opiniestuk De Tijd - 27 januari 2012 - http://www.tijd.be/opinie)
Kan transparantie ooit ‘too much of a good thing’ worden? Het is de vraag die je bekruipt wanneer je het nieuwe communicatiebeleid van de Federal Reserve bekijkt. Ik heb het niet over de aankondiging eergisteren dat de beleidsrente tot eind 2014 ongewijzigd zal blijven en evenmin over de 2% inflatie als beleidsdoelstelling. Waar ik nog altijd mee worstel is met de publicatie van individuele voorspellingen op lange termijn van de FOMC-leden inzake de beleidsrente. Voor economisten is die publicatie een geschenk uit de hemel en binnen een aantal jaar zullen doctoraatstudenten met fierheid hun analyses publiceren. Met die details kan je heel veel dingen doen, bijvoorbeeld door volgende vragen te beantwoorden:
1. hoe is de gemiddelde voorspelling van de eerste beleidsverstrakking naar timing en omvang geëvolueerd in vergelijking met de vorige voorspelling?
2. houdt die evolutie verband met de sindsdien gepubliceerde data?
3. kan een verband worden gelegd tussen speeches van FOMC-leden en individuele voorspellingen (‘wie staat achter welke voorspelling?’)
4. moeten we ongerust worden wanneer de dispersie van de individuele voorspellingen toeneemt?
5. wanneer er een sterke afwijking is tussen de gemiddelde voorspelling en wat Ben Bernanke zegt, betekent dit dan dat zijn geloofwaardigheid op het spel staat en dat zijn positie kan aangetast worden?
6. moeten we, wanneer het profiel van de voorspelde beleidsrente steil is (men voorspelt een snelle opeenvolging van beleidsverstrakkingen eens de eerste heeft plaatsgevonden), gelukkig zijn in de overweging dat dit pad het vertrouwen van de Fed weerspiegelt in het economisch herstel of moeten we verontrust zijn omdat de inflatievrees van de Fed toeneemt
7. analoge vragen kunnen worden gesteld indien het renteprofiel zeer vlak blijft: denkt de Fed dat de economie structureel zwak zal blijven en niet zal reageren op het soepel beleid? Vreest de Fed deflatie?
Kortom, genoeg vragen om vele analistenrapporten te vullen, maar als belegger word je er niet echt wijzer van. De belangrijkste vraag kreeg Ben Bernanke eergisteren op zijn persconferentie: hoe goed kan men voorspellen op een horizon van drie à vier jaar? Het antwoord sprak boekdelen: “onze capaciteit om zo ver in de toekomst te voorspellen is vanzelfsprekend zeer beperkt”. Je kan je daarbij afvragen waarom men überhaupt individuele voorspellingen op zo’n termijn publiceert.
Ik kan me trouwens niet van de indruk ontdoen dat Bernanke vreesde dat de spreiding van de voorspellingen zo groot was (gaande van drie FOMC-leden die denken aan een rentestijging dit jaar tot twee andere die de rente niet zouden verhogen voor 2016 (!)) dat deze de markt in verwarring zou brengen en dus kwam dan het bericht dat de rente tot eind 2014 ongewijzigd zou blijven. Koppel dit aan de beleidsdoelstelling van 2% inflatie op langere termijn en de boodschap, hoewel impliciet, wordt kristalhelder:
‘voor zij die schulden hebben, de inflatie zal deze geleidelijk in waarde doen dalen. Voor zij die geld te beleggen hebben, zij kunnen kiezen tussen het betalen van de inflatiebelasting (omdat de rente onder de inflatie ligt) of het nemen van meer risico’.
Geen wonder dat de dag na de FOMC-meeting de munten van groeilanden sterk aantrokken…
William De Vijlder
Chief Investment Officer, Strategy & Partners
BNP Paribas Investment Partners
27 januari 2012
Beleggen in RRR: Rendement tegen een Redelijk Risico
Veel aandelenbeleggers hanteren de GARP-stijl: ‘growth at a reasonable price’ waarbij ze zoeken naar aantrekkelijk geprijsde (dus niet te duur) aandelen met een winstgroei die consistent boven het marktgemiddelde ligt. Het moment is gekomen om te spreken over een nieuwe stijl: Rendement tegen een Redelijk Risico. Vandaag ligt de klemtoon in beleggersland immers op de beoordeling van het risico. Zoals altijd het geval is in moeilijke economische tijden en in periodes van onzekerheid wordt ‘risico’ daarbij gelijkgesteld met ‘kans op aanzienlijk koersverlies op korte termijn’. Ondanks de recente stijging van de aandelenmarkten zit de schrik voor dergelijk risico er nog altijd dik in. Het is om die reden dat de veilige vluchtoorden (Duitse en Amerikaanse obligaties) zo duur zijn en rendementen op tien jaar opleveren die lager liggen dan de verwachte inflatie over dezelfde periode. Meer nog, op kortere looptijden zijn de Duitse nominale rendementen zelfs negatief. Trek daar de verwachte inflatie af en men bereikt behoorlijk negatieve reële rendementen.
Financiële repressie
Dergelijke situatie is een vorm van ‘financiële’ repressie, zij het er dan één die niet door een overheid onder de vorm van beleggingsverplichtingen werd opgelegd. Integendeel, het gaat om een zelf-opgelegde vorm van repressie. A priori zou men geneigd zijn dit als irrationeel gedrag te bestempelen maar wanneer de risicoafkeer extreem hoog is en kapitaalbehoud hét Leitmotiv van de belegger wordt kan dit perfect rationeel zijn: iedere alternatieve belegging wordt dan immers als te riskant beschouwd omwille van looptijdrisico, debiteuren- en tegenpartijrisico, aandelenkoersrisico, muntrisico, enz. Het gevolg is dat instrumenten die niet of nauwelijks blootstaan aan deze risico’s zeer duur worden en de rendementen dus zeer laag. De prijs voor het vermijden van al die risico’s is dat men dan maar de ‘inflatiebelasting’ betaalt. Geplaatst voor de keuze tussen een zekere, zij het lichte, erosie van de reële waarde van zijn financieel vermogen en de kans op een groter verlies (maar ook op winst!) kiezen risicoschuwe beleggers voor de zekerheid die het eerste biedt.
Negatieve carry
Die rationele houding heeft echter een beperkte houdbaarheidsdatum omdat de meeste beleggers een bepaald reëel rendement moeten realiseren. Het merendeel van de werkende bevolking spaart voor een mooi pensioen en dit vergt opbouw van reëel kapitaal, door te sparen én door het realiseren van positieve reële returns. Deze laatste vormen dus de doelopbrengst. Belegt men nu tegen negatieve reële rendementen, dan ontstaat een toestand van negatieve ‘carry’: de portefeuille levert een negatief rendement na inflatie op van bijvoorbeeld -1% terwijl de doelopbrengst +3% was na inflatie. Ieder jaar dat men in zo’n situatie verkeert loopt men dus 4% ‘vertraging’ op tegenover het pad dat men had uitgestippeld om bij pensioenering voldoende reserves te hebben opgebouwd.
Hoe ontsnappen aan financiële repressie en negatieve carry?
Het gemakkelijke antwoord is adviseren om meer risico te nemen. Dit zou natuurlijk een complete ontkenning inhouden van de uitgangspositie die er een is van zeer hoge risicoafkeer. Het komt er dus op aan rendement te zoeken tegen een redelijk, aanvaardbaar risico. Hierbij rijst meteen de vraag naar de beleggingshorizon, en wel omwille van twee redenen. Eén, hoe langer de looptijd van een belegging waaraan enig risico is verbonden, hoe lager het geannualiseerde risico omdat goede en slechte tijden elkaar in zekere mate compenseren. Koopt men aandelen om ze één jaar aan te houden dan bestaat er een niet te verwaarlozen kans van zeer negatieve of zeer positieve returns. Na twee jaar blijft die kans groot maar is ze al iets kleiner en na tien jaar is ze nog een stuk kleiner. Men noemt dit verschijnsel tijdsdiversificatie en dit pleit dus voor lange beleggingshorizonten. Er is echter een keerzijde en dit is het tweede punt dat de horizondiscussie haar relevantie geeft: bij een lange horizon is het van belang in instrumenten te beleggen die van meet af aan een voldoende hoge bescherming tegen inflatie bieden (lees: een voldoende positief reëel rendement) of in instrumenten waarvan het rendement zal toenemen naarmate de inflatie stijgt. Tegen de achtergrond van de huidige bijzonder lage ‘risicovrije rente’ (die dus van de veilige vluchtoorden) en de meer dan waarschijnlijke terugkeer, op wat langere termijn, van wat hogere inflatiecijfers als gevolg van het zeer soepele beleid van de centrale banken is het essentieel zich te realiseren dat nominale obligaties hiertegen geen bescherming bieden omwille van de lage tot negatieve reële rente.
Hoe ga je dan als risicoafkerige langetermijnbelegger die op zoek is naar rendement om met dit inflatierisico? Verschillende mogelijkheden dienen zich aan.
1. heel kort gaan zitten qua looptijd in de hoop dat centrale banken voldoende snel de beleidsrente verhogen mocht de inflatie aantrekken. De belegger heeft daarbij een houding van ‘op korte termijn aanvaard ik negatieve rendementen maar nadien zullen deze wel stijgen en komt alles in orde’. Ik vrees dat zo’n houding tot teleurstellingen zal leiden. Centrale banken rekenen precies op de negatieve reële beleidsrente om te economie te stimuleren en zullen dus zeker niet gehaast zijn om die voldoende te verhogen mocht de inflatie versnellen.
2. heel lang gaan zitten qua looptijd. Probleem is dat je voor heel lange looptijden moet gaan om een (beperkte) vergoeding te krijgen voor het enorme durationrisico. Een Duitse overheidsobligatie op 10 jaar heeft een duration van ongeveer 9 wat betekent dat een rentestijging met 100 basispunten de marktwaarde 9% naar beneden duwt. Bij een Bund op 30 jaar zou die daling 20% zijn! De beperkte vergoeding betekent bovendien dat de bescherming tegen inflatieopstoten heel beperkt is.
3. inflatiegeïndexeerde obligaties in Euro. De break-even inflatie (het toekomstige inflatiepeil waarbij het voor de belegger niet uitmaakt of hij een nominale dan wel een geïndexeerde obligatie koopt) ligt rond de 2 à 2,5% wat impliceert dat de reële coupon vandaag negatief is. Niet leuk dus maar zo’n geïndexeerde obligatie beschermt wel tegen een oplopende inflatie tot boven het huidige break-even niveau. Je zal daarbij wat geduld moeten vertonen: in een economie op de rand van een recessie zal de inflatie niet meteen aantrekken.
4. inflatiegeïndexeerde obligaties in USD, CAD, AUD, GBP. De break-evens wijken niet te sterk af van die in de eurozone maar het gaat om landen waar de inflatie sneller zou kunnen terugkeren omdat de centrale banken er meer risico nemen of omdat de economie er hoe dan ook in betere doen is. Natuurlijk neem je dan muntrisico dus dit vergt een zeer actieve opvolging.
5. kredietrisico nemen om het reëel rendement op te krikken waardoor je meteen een matras creëert tegen inflatie. Zeker vanuit een ‘buy and hold’ benadering (obligaties aanhouden tot de vervaldag) bevinden we ons in een interessante omgeving op voorwaarde zijn huiswerk (kredietwaardigheidsanalyse) goed te doen. De investment-grade index in euro geeft een spread (extra-rendement) tegenover Bunds met equivalente looptijd van 275 basispunten (rendement: 4,0%) en exclusief banken van 164 basispunten (3,1% rendement). De index van hoogrenderende obligaties in euro geeft een spread van 915 basispunten (rendement 10,4%). Het spreekt vanzelf dat een rigoureuse selectie nodig is maar de opportuniteit is er wel degelijk.
6. groeilandenobligaties. In USD (men spreekt dan van externe schuld) bedraagt het rendement 6,08% met een maturiteit van 11 jaar. De rente ligt dus een pak boven die van Amerikaans staatspapier voor een index met een gemiddelde rating van BBB-. In lokale munt (niet voor ‘doe-het-zelvers’) is de rente 6,85% voor een veel kortere looptijd (6,7 jaar). Ondernemingsobligaties in groeilanden geven een mooi extra rendement tegenover westerse emittenten in dezelfde ratinggroep zoals geïllustreerd in bijgaande tabel (emissies in USD).
En aandelen?
De zoektocht naar extra opbrengst kan leiden tot het aankopen van ondernemingsobligaties tegen een coupon die onder het dividenrendement ligt. Op voorwaarde dat de onderneming een gezonde balans heeft, is deze houding voor een risicomijdende belegger rationeel te noemen omat zo’n belegger gewoon bang is van het aandelenkoersrisico terwijl hij zich zeker voelt over het kredietrisico en dus verwacht om op de vervaldag zijn initieel kapitaal terug te krijgen.
Risicoafkerige beleggers mijden aandelen omwille van het kortetermijnrisico of omwille van hun twijfel over de opbrengst op lange termijn. Het eerste type risico kan je aanpakken door de aankopen te spreiden in de tijd en te vermijden te kopen wanneer aandelen zeer duur geprijsd zijn. Wat met het tweede type risico, dat des te gevoeliger ligt gezien de ervaringen van de voorbije tien jaar? Dit is afhankelijk van het dividendrendement en het koersverloop. Een hoog dividendrendement betekent dat na verloop van een aantal jaren een stootkussen is opgebouwd: ook al noteren de beurskoersen lager, de geaccumuleerde dividenden kunnen dit (deels) compenseren. Bijgaande grafiek toont het dividendrendement van de Europese aandelenindices en dit ligt dus een stuk boven het rendement van staatspapier op 10 jaar. Het toont hoe goedkoop aandelen zijn vergeleken met overheidspapier.
Het rendement op een Belgische obligatie is ongeveer 4,0%. Een extra-rendement van ongeveer 1% per jaar levert dus na tien jaar een ‘matras’ op van iets meer dan 10%. In geval van Duitse of Franse obligaties is die dividenmatras door te beleggen in aandelen nog dikker. In vergelijking met Duitse obligaties kan die oplopen tot 30%. Wat betekent die ‘matras’ concreet vanuit een cashflow perspectief binnen de portefeuille? In de hypothese dat het uitbetaalde dividend in euro niet daalt, mag de koersindex van Europese aandelen binnen 10 jaar 30% lager staan dan vandaag om over die 10 jaar dezelfde return te behalen als met een Duitse obligatie op 10 jaar. Daarbij komt nog dat bij oplopende inflatie het dividendbedrag, dat een nominale grootheid is, zal stijgen, wat niet het geval is bij de obligatiecoupons want die liggen vast voor heel de looptijd van de obligatie.
Vragen van de pessimistische belegger
De pessimistische belegger kan echter argumenteren dat de dividenden kunnen dalen. Inderdaad, en het is om die reden dat de selectie binnen de aandelen die vandaag een hoog dividendrendement bieden zorgvuldig moet gebeuren om valkuilen (‘value traps’ waarbij het hoge rendement voortvloeit uit een sterke daling van de aandelenkoers omdat de markt twijfelt aan de houdbaarheid van het dividendbeleid) te vermijden.
De pessimistische belegger kan ook oordelen dat de koersen misschien helemaal niet zullen stijgen. Op zich is dit een ‘interessante’ redenering wetende dat de reële economische groei meestal positief is, dat de inflatie eveneens positief is en dat er een sterke samenhang is tussen nominale winstgroei en nominale BBP-groei. Tot wat voor toestanden zou de extreme hypothese van ongewijzigde aandelenkoersen tussen nu en tien jaar leiden? Laat er ons van uitgaan dat de nominale winstgroei 2% per jaar bedraagt in de komende tien jaar (dit impliceert nulgroei tot licht negatieve winstgroei, ieder jaar, in reële termen). Indien deze winstgroei niet wordt vertaald in koerswinst zou de koers-winstverhouding na 10 jaar met ongeveer 20% zijn gedaald. We spreken dan van niveaus van ongeveer 7,5! Merk op dat dit bij een ongewijzigd dividendbeleid ook inhoudt dat het bedrag aan dividenden en het dividendrendement jaar na jaar zouden stijgen. Het dividendrendement, dat nu al hoger ligt dan het obligatierendement, zou dan nog een stuk hoger komen te liggen. Zo’n scenario is dus enkel realistisch indien men denkt dat de westerse wereld en in het bijzonder Europa dezelfde weg opgaan als Japan. Gelooft men niet in zo’n Japanscenario dan is het een veilige hypothese aan te nemen dat de aandelenkoersen binnen tien jaar niet onder de huidige niveaus zullen noteren.
De pessimistische belegger kan opmerken dat dit allemaal theoretische overwegingen zijn en dat we ook naar de historische ervaring moeten kijken. Wat leert de geschiedenis? Bijgaande grafiek toont die voor de Dow Jones koersindex in de VS (ik heb deze index genomen omwille van de lengte van de beschikbare tijdreeks).
Sinds 1910 kunnen er 103 periodes van tien jaar worden onderscheiden en in 20 gevallen stond de index aan het einde van de tien jaar lager dan bij het begin (zie tabel). Dit cijfer is al bij al hoog omdat een beurscrash lang ‘nazindert’, d.w.z. veel observaties van het voortschrijdend gemiddelde op 10 jaar impacteert.
De gevallen van negatieve koerswijziging over 10 jaar situeren zich vooral aan het begin van de twintigste eeuw (WO I) en tijdens de depressie in de jaren ’30. Na de eerste olieschok en ook meer recent (2008 en 2009) hadden we eveneens een dergelijke ervaring. Overwaardering (1929, eind jaren ’90) of een grote schok (olie in 1974) verhogen dus sterk de kans dat de koersen 10 jaar later lager noteren. Over schokken kan ik me niet uitspreken maar de waardering is op dit ogenblik voor de langetermijnbelegger geen obstakel om in aandelen te beleggen.
Conclusie
Beleggers zijn vandaag risicoavers en die houding is te begrijpen. Gezien de negatieve reële rente op korte termijn en bij de ‘safe havens’ zelfs op lange termijn, is het toch noodzakelijk te zoeken naar beleggingen met een hoger rendement. Omwille van de risicoafkeer moet de klemtoon daarbij liggen op ‘extra rendement bij een redelijk risico’. Ondernemingsobligaties en groeilandenobligaties bieden daarbij interessante opportuniteiten. Aandelen van bedrijven van hoge kwaliteit en met een mooi dividendrendement lonen ook de moeite vanuit een rendementsoptiek (ik spreek me hier niet uit over het koerswinstpotentieel in vergelijking met aandelen die een lager dividendrendement hebben).
De hamvraag is dan ‘wanneer kies ik mijn instapmoment’? Het gevaar bij hoge risicoafkeer is dat men dit altijd zal uitstellen, wat voor de belegger met een lange horizon een opportuniteitskost inhoudt: door te wachten (uit vrees voor koersverlies op korte termijn) geniet men niet van de hogere rendementen, terwijl de lange horizon een houding toelaat van ‘koersverlies zal wel gevolgd worden door koerswinst.’
Het antwoord op de vraag naar het instapmoment is dan ook: één, de aankopen spreiden in de tijd en, twee, zich echt opstellen als een langetermijnbelegger (‘buy and hold’, wat niet hoeft te betekenen dat men passief blijft bij het beheer) en uit het keurslijf treden van het ‘mark to market’ denken.
William De Vijlder
Chief Investment Officer, Strategy & Partners
BNP Paribas Investment Partners
26 januari 2012
Geplaatst om 14:48 in William's Weekly Comments | Permanente link | Reacties (0) | TrackBack (0)