Gepubliceerd in Moneytalk (België) op 12 mei 2012.
Het is meimaand dus de belegger denkt onvermijdelijk aan het gezegde ‘sell in May and go away’. Ik heb het altijd moeilijk gehad met deze stelling want beurzen volgen geen deterministisch patroon. Wordt die ‘beleggerswijsheid’ trouwens bevestigd door de cijfers? Bijgaande grafiek toont de gemiddelde koerswijziging (dus exclusief dividenden) van de S&P index per maand over de jongste 10, 20, 30 en 40 jaar op basis van de database van Robert Shiller.
Hierbij valt op dat de maandreturns in de jongste tien jaar meer schommelden dan vroeger terwijl de 20-, 30- en 40-jaars gemiddelden dicht bij elkaar aansluiten: de jongste periode was dus wel heel atypisch. Bovendien zien we dat in de voorbije tien jaar ‘sell in May’ wel enige waarde had als advies aangezien de returns naderhand negatief waren. Over langere periodes is het beeld minder uitgesproken maar zijn de returns tijdens de zomermaanden toch lager dan tijdens de andere maanden. Er is dus wel degelijk een seizoeneffect. Het is daarbij niet zozeer mei die een moeilijke maand is, maar wel de periode vanaf juni tot en met oktober. Letterlijk begin mei verkopen lijkt dus wat te vroeg. Interessant genoeg hoorde ik vorige week een analist op CNBC zeggen dat de ‘sell in May’-houding dit jaar tot in juni zou worden uitgesteld … Dit vestigt er meteen onze aandacht op dat ‘sell in May’ geen wetmatigheid is en dat we dus moeten kijken naar de katalysatoren voor een eventuele koerscorrectie. De jongste twee jaren liggen daarbij nog vers in het geheugen met telkens vrees voor een nieuwe recessie in de VS en een nieuwe fase in de eurocrisis. Vandaag is de grootste kandidaat om de beleggerszenuwen op de proef te stellen de toestand in de eurozone. Dit zal geen verrassing zijn, a fortiori gezien de ontwikkelingen van de voorbije dagen in Spanje en Griekenland. Wat Spanje betreft denk ik dat de storm over de overheidssteun aan banken weer naar het achterplan zal verdwijnen, al was het maar omdat de regering, mede onder Europese druk, vooruitgang in dit dossierzal willen boeken. Dergelijke vooruitgang is een conditio sine qua non om het internationale beleggersvertrouwen in Spanje op te krikken. Griekenland is de grotere bron van nervositeit gezien het vooruitzicht van nieuwe verkiezingen op 17 juni (die de facto een referendum over eurolidmaatschap inhouden) tegen een achtergrond van bezuinigingsmoeheid én een lege staatskas. Dit geeft ons dus nog minstens vier weken van onzekerheid waarbij men moet hopen dat de verkiezingsuitslag een vlotte regeringsvorming mogelijk maakt…
Tweede aandachtspunt vormt de toestand in de VS. Hier is het beeld duidelijk beter dan vorig jaar. Geen verhalen van een ‘double dip’. Er is een redelijke groei waarbij aan te stippen valt dat de activiteit in de woningbouw (eindelijk) de goede richting uitgaat. De ondernemingswinsten stijgen ook, de marges zijn hoog en de Federal Reserve houdt vast aan een zeer soepel beleid en staat klaar met QE3 mocht er zwaar onweer aankomen. De hete kastanje komt er na de verkiezingen: wanneer gaat men eindelijk iets doen om het begrotingstekort aan te pakken zonder daarbij de groei te verstikken?
Een derde ‘hot topic’ is China. De groei van de industriële productie vertraagt, maar de inflatie neemt ook af en creëert daarbij ruimte om het monetaire beleid te versoepelen door in te werken op de reserveverplichtingen van de banken. Een zachte landing is dan ook het meest waarschijnlijke scenario.
Conclusie: de zomermaanden op de financiële markten zullen hoofdzakelijk in het teken staan van de ontwikkelingen in Europa, met veel onzekerheid tot gevolg. Die onzekerheid zit al in grote mate in de koersen verrekend (kijk naar de koers-winstverhouding of naar de dividendrendementen die ongeveer driemaal zo hoog zijn als de Duitse tienjarige rente!) maar het blijft wachten op het ‘all clear’ signaal. De ‘risk on/risk off’-omgeving waarbij vlug geschakeld wordt tussen aandelen en veiligere activa zal dan ook nog geruime tijd aanhouden.
William De Vijlder
Chief Investment Officer, Strategy & Partners
BNP Paribas Investment Partners
Hoe tegendraads moet de belegger zijn?
Ondanks de negatieve commentaren aan het einde van 2011 hebben de financiële markten de belegger dit jaar positief verrast. De verleiding is daarbij groot te stellen dat men altijd het tegengestelde moet doen van de gangbare opinie: kopen wanneer slecht nieuws domineert en verkopen wanneer iedereen optimistisch is. De realiteit is natuurlijk complexer maar het is duidelijk dat een belegger moet inschatten wat de ‘versheidsdatum’ is van een thema: wanneer slecht nieuws de markten in zijn greep houdt moet men vooral aandacht hebben voor de zonnestraal die door de wolken priemt want dit kan een prelude zijn voor een bredere opklaring en omgekeerd, wanneer de lucht blauw is moet men zoeken waar de eerste wolken vandaan kunnen komen.
Hoe tegendraads moeten we vandaag zijn? Op basis van de recente berichtenstroom lijkt het glas voor de beleggers minstens halfvol te zijn. De Amerikaanse arbeidsmarkt is eindelijk aan het verbeteren; vertrouwensindicatoren in Europa schijnen te stabiliseren; China heeft de reservevereisten van de banken versoepeld; de verlaging van de inkomstenbelasting geïntroduceerd onder de Bush-administratie werd verlengd; er is een akkoord over Griekenland. Bij het lezen van de voorpagina van de Financial Times van vorige zaterdag («S&P gains hint at budding recovery»), bekruipt me dan ook het gevoel dat het tijd is om te kijken wat uiteindelijk voor een omslag in het huidige positieve sentiment zou kunnen zorgen. Ik zie daarbij vijf mogelijke factoren. Eén, de stijging van de markten. Sinds het begin van het jaar bedraagt de stijging van de Eurostoxx50 ongeveer 10% en van de S&P500 ongeveer 8%. Verschillende groeilanden doen het nog een stuk beter. Veel beleggers hebben nu al een hogere opbrengst uit aandelen dan wat ze voor het volledige jaar verwachtten, dus hoe langer deze beweging aanhoudt, des te groter de verleiding om een deel van de winst veilig te stellen. Twee, de economische cijfers. Voor de VS gaan deze duidelijk de goede richting uit, inclusief wat de arbeidsmarkt betreft en bovendien schijnt de bouwsector het ook beter te doen. In Europa vielen de vertrouwensindicatoren mee. Hoe beter de resultaten, hoe moeilijker het wordt om de economisten positief te verrassen en teleurstellende data zouden natuurlijk op het beleggerssentiment wegen. Drie, de verkiezingen in Griekenland. Deze zouden in april plaatsvinden en dreigen volledig rond het thema te draaien van de economisch-financiële toestand van het land en het gevolgde beleid. Dit zal met aandacht worden gevolgd door internationale beleggers. Vier, de stijging van de olieprijzen. In dollar heeft de Brentolie de kaap van de 120 bereikt en in euro zitten we rond het piekniveau van 2008. Dit heeft natuurlijk te maken met het geopolitieke risico (Iran) en we moeten niet verwachten dat deze factor naar de achtergrond zal verschuiven. Een verder oplopen van de olieprijs, om politieke redenen maar bijvoorbeeld ook als anticipatie dat de wereldeconomie het in de tweede jaarhelft wat beter zou doen, zou uiteindelijk vervelend kunnen worden, voor de centrale banken (aanwakkeren inflatievrees) en voor de groeivooruitzichten. Vijf, hernieuwde focus op de grote structurele uitdagingen, zowel in Europa als in de VS met als gevolg groeiverwachtingen die naar historische maatstaven eerder bescheiden blijven. Voor de belegger komt het er op aan in te schatten wanneer één of meerdere van deze vijf factoren aan kracht zullen winnen. Vooralsnog staat alles in het teken van de overvloedig beschikbare liquiditeiten en het zijn deze die indirect de aandelenkoersen ondersteunen, maar laat ons niettemin het argument van de ‘versheidsdatum’ in gedachten houden.
William De Vijlder
Chief Investment Officer, Strategy & Partners
BNP Paribas Investment Partners
Geplaatst om 14:49 in William's Weekly Comments | Permanente link | Reacties (0) | TrackBack (0)